Ga ga

Een gedicht, geschreven door de Jiddische dichter Sh. Sjajewitsj.

En nu, Bloemetje, mijn kind,
trek je jasje aan en laten we gaan.
Daar gaat nu al de derde groep
en daar horen we bij.

Maar laten we niet huilen, laten we niet jammeren
en de vijand ten spijt, laten we lachen.
Glimlachen zullen we, zodat de vijand
zich zal verbazen over wat Joden kunnen.

En hij  zal niet begrijpen, dat in ons bloed
de kracht van onze vaderen stroomt,
die gingen in alle geslachten
hun eigen weg als ieder soort van offer.

En al gaan wij met wankelende stap,
als de stap van een blinde voor de deur van een vreemde,
toch klinkt daarin de echo van onze mannen
ver weg op de wegen van Siberië.

En al trilt de verschrikking in ons lied
als bij een pas gevangen dier,
toch brandt er trots in onze vlammende blik,
zoals bij vader, toen ze hem hingen aan de galg.

En al kunnen zij ons iedere minuut
pijn laten lijden en neerschieten,
och, dat is ook al niets nieuws, onze zuster
hebben ze naakt weggesmeten.

En laten we niet huilen,
laten we niet jammeren,en de vijand ten spijt, laten we lachen.
Glimlachen enkel, – en verbaasd
zal hij het aanzien, wat Joden kunnen.

En hij zal niet weten, dat ons vandaag begeleiden
dezelfde engelen als eenmaal, als ooit,
van rechts Micha’el, van links Gabri’el,
van voren Oeri’el, van achter Rapha’el.

En al is onder onze stap de dood,
boven ons hoofd is de majesteit van God.
Wij moeten ons weer offeren, Bloemetje, mijn kind,
opnieuw, en met het oude geloof.

De strophe over de engelen is een gedeelte van het nachtgebed, het gebed voor men zich ter ruste begeeft. Daar staan de namen van deze engelen in, en ook de zin: boven ons hoofd de Majesteit van God.