In Holland staat een huis

Door dr. K.D Goverts

Elk mens is op zoek naar een huis. En vaak ben je zwerver geworden en je bent vergeten waar je woonde. Of je weet niet meer of je wel ooit gewoond hebt. Op de Bahamas zegt men dan: haar ziel is er zonder haar vandoor. Jarenlang kun je aanvaarden dat je overal en nergens bent of tussen de wal en het schip. En je leeft als verstekeling op deze aarde en je zou alle dagen het boek Jona kunnen lezen. Of steeds maar weer, elke morgen en elke avond, die psalm zingen: Gij weet hoe ‘k zwerven moet op aard’.

Tot iemand de vraag stelt, zo en passant: wanneer ga jij naar huis? Je trekt je wenkbrauwen op: waar heb je het over? Is er nog een bewoonbare plek op deze wereld? Wanneer ga jij naar huis? Clarissa Estés heeft daar zo prachtig over geschreven, hoe een vrouw de weg terug kan vinden naar haar innerlijke woning. Maar misschien is dat voor een man ook wel weggelegd. Sommige vrouwen gaan nooit naar huis, zegt zij, ze strompelen maar verder, veel presteren, maar weinig vol-doening. En: vrouwen die twintig jaar of langer niet thuis zijn geweest, daar komen altijd de tranen wanneer ze voor het eerst weer voet zetten op haar psychische grond. In een oud lied wordt er al over gezongen: ‘k Ben ver van huis en donker is de nacht; leid Gij mij voort. Daar spreekt dat heimwee, het verlangen naar je heim, je Heimat. Terugkeren naar je huis: voor de een is dat een bos, voor de ander een woestijn of de zee. Of dat je weer begint te zingen, je spoort verloren mensen op of verloren dingen. Je gaat schrijven en het papier wordt je beste vriend. Let op de glans van de ogen, zegt Estés, daaraan kun je her-kennen dat een mens bezig is aan de thuisreis.

De eerste letter van de Hebreeuwse Bijbel is een bét  ב Maar bét betekent ook: Huis. Die letter heeft ook de vorm van een huis. Het eerste woord van Genesis is: Be-ree’shit  בראשית  dat is: In den Beginne. Maar, zo zegt de Joodse schrijfster Eliette Abécassis, je kunt het ook omdraaien: Ree’sjit Bét ב   ראשית   d.w.z. het Huis eerst. Als er geen huis is, dan is alles woest en ledig. Dan ligt duisternis op de afgrond. Het huis eerst. Al het andere kan wachten.

Zoals een lied zegt: sing me back home. Zing mij terug naar huis. Paden die naar huis leiden: paths leading home, zo ver-taalde Rotherham.

De middeleeuwse Joodse wijzen zeiden: er is verschil tussen een weg en een pad. Een weg is een openbare route, waar iedereen kan gaan. Wegen zijn algemeen toegankelijk. Wegen staan op de routeplanner, op de tom-tom. Je kunt de weg vragen en dan kan een ander zeggen hoe je moet lopen of rijden. Of als je de weg wilt weten, kun je de borden volgen. Maar een pad is privé, persoonlijk. Toen mijn geest in mij versmachtte, hebt Gij mijn pad gekend. Een pad is verbor-gen, het heeft geen markeringen, geen wegwijzers. Deze paden zijn peli’ot  פליאות dat wil zeggen: wonder-lijk, mystiek, zo zeggen de oude Joodse leraren. En, zeiden ze: het zijn de paden der Wijsheid. 32 paden waren het volgens hen. Want 32 is het getal van lebh לב en dan wisten ze: dat zijn de 22 letters van het hebreeuw-se alphabet en de 10 sephirot, de emanaties die van de Oneindige uitgaan. De paden van het Hart. En dat woord peli’ot hangt samen met pèlè’  פלא dat is wonder. Een wonder staat los van de wetten der natuurlijke wereld – en vooral: het woord is in wezen: ’aleph, אלף  maar dan in omgekeerde volgorde van de letters: derhalve: een wonder, pèlè’  brengt je terug bij de ’aleph. Deze paden zijn verborgenheden, zoals ook Jeremia zo mooi zegt: Vraagt naar de aloude paden.

Heimwee: de Joodse denker André Neher [1914 – 1988] uit de Elzas zegt het zo mooi: er is: la nostalgie de Dieu et la nostalgie de l’homme.
Heimwee van de Eeuwige, en heimwee van de mens.
En Hij verlangt nog meer dan wij….

En de dichter P.N. van Eyck vertolkte het zo:

Gij zijt mij overal nabij,
in ieder ding; Gij ziet naar mij
of ik U aanzie, en herken,
en, één met U, gelukkig ben.

Wel blijf ik dikwijls blind voor U,
en reis ik ver van hier en nu,
of ergens ’t veilig eiland is
waar ’k troost of slaap vind voor gemis.
Maar soms ben ’k onverwacht weer thuis,
Gij roept mij zachtjes, in ’t geruis
van wind en blaren langs het raam
hoor ik de fluist’ring van mijn naam;
of in de glinstering van het licht
zie ik Uw wachtend aangezicht  –
als ik dan schuchter tot U kom,
wordt het zo wonder-stil rondom,
zo vreemd en wonder-stil in mij
dan is er enkel ik en Gij.

Neen, Gij alleen, en wat Gij zijt:
mijn eind van menigvuldigheid,
mijn Oorsprong waar ik ongedeerd
in liefde naar ben weergekeerd.