De graankorrel
Door dr. K.D Goverts
Dit heeft inderdaad betrekking op Jezus: Hij legde Zijn leven af om ons te kunnen redden. In het tekstverband van Johannes 12 gaat Jezus hier wel op verder en Hij zegt dan: wie zijn leven liefheeft, die zal het verliezen [vers 25]. Maar ik denk dat het essentieel is dat we dit op een goede manier verstaan. Letterlijk staat er: wie zijn ziel, zijn psychè liefheeft.
Nu het beeld van de graankorrel: die graankorrel gaat in de aarde. De aarde is in dit verband beeld van: ballingschap. De Shekhinah wordt in de oude Joodse wijsheid vaak vergeleken met de aarde; het is de Aanwezigheid van God, die afdaalt – die met de mensen meegaat in de ballingschap. Het is de Geest die bij het Godsvolk wil zijn, het is het Eeuwige, dat komt in de tijd, dat binnentreedt in het aardse leven. Dus: als we het beeld van de graankorrel voor ogen houden: wat gaat er sterven? De buitenkant, de schil, of de bast, hoe je het wilt noemen. De Joodse wijzen in de middeleeuwen noemen dat de Qelippah קליפּה – – want: als die schil eromheen blijft, dan kan dat graan niets worden, dan is het een eenzame, in zichzelf opge-sloten korrel.
Het is derhalve de buitenkant, de schors, de bast die gaat sterven. Dan komt de binnenkant vrij. De kern – de innerlijke mens. Zoals een noot, een kastanje of een eikel: de bolster wordt zacht. Dan kan de binnenkant tot ontwikkeling komen – tot ontplooiing – tot vrucht. De Joodse denker Joseph ben Abraham Gikatilla schreef een van zijn boeken onder de titel: de Notenhof, ginnat ‘eegoz אגז גנּת – aanknopend bij een vers uit het Hooglied: ik daalde af naar de Tuin van de Noten – ik ben tot den notenhof afgegaan. Hoogl. 6, 11. De noot moet opengaan, de harde buitenkant moet zacht worden. Afdalen in de ballingschap.
De binnenkant
Zo was het bij Jezus in wezen ook: ook Hij ging in feite in ballingschap: Zijn aardse bestaan gaf Hij over – gaf Hij prijs. Bij Hem was er geen sprake van een harde buitenkant; maar voor Hem was het: ingaan in de aarde, in het bestaan van de ballingschap. Maar Zijn innerlijke mens bleef puur en zuiver, Zijn innerlijke wezen bleef gaaf, ongeschonden, onaantastbaar. Hij kon zeggen: de overste van deze wereld komt en vindt in Mij niets. Zijn verbinding met de Vader bleef; Zijn toewijding bleef overeind. Er staat: geen been van Hem werd gebroken. Dat was letterlijk zo; maar het heeft ook een diepere zin: Zijn gebeente bleef héél, Zijn gebeente bleef intact. En het gebeente is symbool van de innerlijke Kern.
De innerlijke Lichtglans in Jezus konden ze niet doven. Maar doordat de schil wegviel, kon Hij zaad worden waaruit een grote oogst zou voortkomen. Het is net als met een noot, een kastanje of een eikel: die gaat in de aarde. En de harde buitenkant barst open:
“Maak een geultje in de grond van zo’n 3 centimeter diep, en poot de eikels daarin. Je zet ze naar beneden in de grond, zodat ze makkelijk wortels kunnen zetten. Voordat de winter inzet, is de eikel al gebarsten en groeit er een kiem uit. Deze zet de eikel vast. Zodra het voorjaar is, komt het boompje al boven de grond uit. Tegelijkertijd groeit er een behoorlijke wortel naar beneden, direct op zoek naar water. Na zo’n 2 jaar krijg je dat jonge boompje al bijna niet meer met de hand uit de grond, zo sterk zijn de wortels dan al”.
De nieuwe mens
De nieuwe mens gaat niet sterven. Uiteraard niet: want die innerlijke mens is van hemelse oorsprong, die komt bij God vandaan, dat is Christus in ons. Die nieuwe mens is eeuwig, die is onvergankelijk. Dat is onsterfellijk zaad, dat is de kiem die God in je gelegd heeft, dat is het Eeuwige in jou. Zoals Jezus binnenging in de ballingschap van de mensen, Hij ging binnen in de wereld van de tollenaren en de zondaren, Hij bleef niet op een troon zitten, Hij werd Mens met de mensen, zo gaf Hij Zichzelf. Hij had Zijn goddelijk leven kunnen opsluiten in een cocon, in een harde bast, maar dat deed Hij niet.
De goddelijke kern
Binnen in: daar is de Kern, wat Paulus noemt: de inwendige mens, de innerlijke mens, in de oude hebreeuwse woorden is het de chajjah חיּה – dit is het verbor-gen leven, en de jechidah יחידה – dit is het unieke, wat bij de wereld van God hoort. Zoals in het Hooglied gezongen wordt: ik daalde af in de notenhof – de tuin van de noten. De bolster, de notendop, wordt in de aarde zacht gemaakt, door vocht en warmte.
En dan komt de Kern vrij.
Zaad des vredes
De Joodse wijze Gikatilla [ 1248 – 1305 ] zegt het zo mooi: het Zaad des Vredes wordt gezaaid; zèra‘ sjalom שלום זרע – dat is het zaad van de Heelheid, want Sjalom is méér, veel meer dan vrede. Zo is Jezus de Vredevorst – Hij is onze Sjalom. De uiterlijke bolster sterft, maar de Sjalom die Hij is en die Hij brengt, blijft héél, blijft onaantastbaar. Zoals Paulus ook zegt in verband met ons: ons leven is met Christus verborgen in God.
Wat uit God is, kan niet sterven, kan niet ondergaan.
Zaad van Licht
Hierover spreekt Psalm 97 vers 11: Licht is gezaaid voor de rechtvaardige. De Joodse componist heeft daar een melodie op geschreven – en hij heeft eraan toe-gevoegd: Licht is gezaaid voor de mens die terugkeert. Die terug gaat naar God, terug naar de Oorsprong. De Rechtvaardige – de Tzaddiq צדּיק – Jezus is de Rechtvaardige, die Zijn leven aflegde voor zondaren. De Rechtvaardige is zowel de Tuinman als het zaad. Hij is de Hovenier, de Tuinman van het hemelse paradijs. Het Licht wordt gezaaid in de aarde; God heeft dit Licht in de Hof gezaaid, in de Tuin van Zijn zaligheid – de vernieuwde Hof van Eden, Hof van Gelukzaligheid, en God heeft via die Tzaddiq, die Rechtvaardige, die de Tuinman is van de Tuin, voren getrokken, en God heeft dat Licht genomen en het als Zaad der Waarheid uitgezaaid.
Wat zijn deze zaden? zo vraagt Gikatilla. En hij antwoordt: het zijn de zaden van het Oerlicht, dat bestendig, voortdurend uitgezaaid wordt. Deze wereld is de wereld van de duisternis, de wereld die men kan aanduiden als: de bolsters – de qelippot קליפּות – dit woord betekent: schelpen of schillen, en dan vallen de vonken van het Goddelijke Licht in deze wereld, in de wereld van de ballingschap – in de aarde. Zo zegt de Joodse denker Chayyim Vital [ 1543 – 1620]. De Lichtvonken zitten in die bolsters – in die schillen, dat is de ballingschap.
Maar het is mogelijk dat de verpakking sterft, dat die verpakking smelt, door de warmte en de vochtigheid van de aarde, en dan komt de verborgen Kern vrij.