Amana, schrijven en graveren

Door dr. K.D Goverts

Een tekst uit Nehemia 9 vers 38 “En in dit alles maken wij een vast verbond en schrijven het; en onze vorsten, onze Levieten en onze priesteren zullen het verzegelen.”
Het woord “verbond” staat er eigenlijk niet. Dat heeft de vertaler erbij gezet. Er staat  אֲמָנָה   ‘amanah, en op dat woord komen we nog terug. Het is een heel mooi en bijzonder woord. אֲמָנָה hangt samen met de woordstam אָמַן  ‘aman, en die betekent vast zijn, zeker zijn, bestendig. Het woord אָמֵן  ‘amen,  hangt daar ook mee samen, en het woord אֱמֶת  ‘emet, trouw, betrouwbaarheid. Die woorden verdienen nog onze nadere aandacht. Heel die woordstam bloeit als een rijke boom en spreidt zijn takken op allerlei manieren uit.

Er staat dus: wij sluiten – het woord כָּרַת  karat – wordt altijd gebruikt voor het sluiten van een verbond, letterlijk een verbond snijden, en hier dan: wij sluiten een אֲמָנָה  ‘amanah. We leggen een vastheid vast. En dat schrijven we ook op, want wie schrijft, die blijft. Schrijf het maar op, dan wordt het in een document vereeuwigd. De oude Joodse wijzen hebben daar een prachtig woord voor: rishuma’  רישומא of ook wel rosham of rushma’  רושם  resp. רושמא  merk-teken, graveersel, merk van een eigenaar.  Dat is de handtekening van de Eeuwige.  Zo heeft de Eeuwige Zijn verborgen signaturen – Zijn handtekening – geplaatst in Zijn schepping, in de mens.

Ook het prachtige woord dat we eerder wel eens hebben behandeld, galiph  גליף  , graveren, hoort hierbij. Zijn naam is gegrift in mijn hart, zegt een oud lied uit de bundel Glorie-klokken, van zuster Alt. Gegrift, gegraveerd: zo doet God iets. De oude Joodse wijzen zeggen ook: toen God ging scheppen, heeft Hij de schepping gegraveerd. En dan is Hij ook trouw aan die schepping. God zal zijn werken nooit laten varen en nooit laten vallen.

Een psalmberijming die niet klopt
Er staat ergens in een psalmberijming iets waarvan ik dacht: dat klopt niet, die berijmers hebben het niet begrepen. Daar wordt van God gezegd: “Gij, de koning der getijden, achteloos legt Gij terzijde.” Dat doet God nooit. God legt nooit iets achteloos terzijde. Dat kan niet en bestaat niet. Dat vers zal ik dan ook nooit opgeven om te zingen, met alle vriendelijkheid voor de psalmberijmers. Maar ik denk dan: dit is onmogelijk. Als je dat zingt, zing je tegen het Woord van God in. God gaat nooit iets achteloos terzijde leggen. Dat is ondenkbaar en helemaal tegen zijn karakter. Als God iets maakt, komt Hij daar nooit op terug. Hij zegt nooit: “Nou ja, vooruit, laat maar, dat leg ik daar neer, dat hoeft niet meer.” Dat doen wij, maar dat doet God niet. Achteloos terzijde leggen is bij Hem totaal tegen zijn wezen in. Bij God is het altijd אֲמָנָה, ‘Amanah – vastheid, betrouwbaarheid.  Als dat niet zo was, dan zou er geen Isra’el zijn, er zou geen gemeente des HEEREN meer zijn, er zou geen schepping meer wezen. Dan was alles aan de hopeloosheid prijsgegeven.

De oorspronkelijke tekst zegt bij die regel wel iets anders. Blijkbaar hebben de berijmers toen een black-out gehad. Dat hebben psalmberijmers ook wel eens, en blijkbaar hebben ze er niet helemaal over nagedacht. En natuurlijk kunnen we zeggen: Het rijmt wel mooi.

Ja, het rijmt mooi: de koning der getijden, achteloos terzijde. Het rijm kun je dus waarderen. Goed gedaan, zeg je dan.

God zet zijn handtekening eronder
Dat achteloos terzijde leggen is het dus niet. God heeft een אֲמָנָה,  ‘Amanah, een vastheid, en Hij zet Zijn reshimu, Zijn handtekening, eronder. Dan is het een document voor de eeuwigheid. Alles wat God doet, is voor eeuwig. De eeuwigheid komt in de tijd. God zegt niet vandaag ja en morgen neen, of: O ja, toen wel, maar nu maar niet meer. Hij is trouw aan de werken van Zijn handen.