De letter hé’  in de Joodse overlevering

Door dr. K.D Goverts

Met dit besef van de verborgenheid komen we  bij een heel bijzonder punt: de Joodse wijzen zeggen dat soms één letter van het oude alphabet, één enkel teken, tegelijk ook de handtekening kan zijn, waarmee God Zijn Naam zet onder een mensenleven. Dat is ook bemoedigend: dat Hij Zijn Naam eronder schrijft. In dit verband gaat het om de letter hé’ (ה) , die ene letter.

Eén letter is een Geheimenis, vanuit het Hart des HEEREN, vanuit Zijn binnenkamer. Eén letter: een goddelijk Mysterie, door Hem gegeven. De Joodse wijzen brengen de hé’ in verband met adem, met de ademtocht, met alleen maar een zucht. En we bedenken: hé’  betekent: venster. Verder is het een letter die niet zo hoorbaar is, een heel stille letter, maar toch heel wezenlijk: zo’n letter hé’ mogen  we niet onderschatten, niet gering schatten.

Mosheh de León, de Joodse uitlegger in 1292, zegt dat het geheimenis van de letter hé’ het geheim is van het innerlijke, het inwendige paleis, de heikhal penimi (הֵיכָל פְּנִימִי) , het heel intieme paleis, het paleis van de Heilige. Strikt genomen is daar geen scheiding, maar dat paleis heeft de vorm van de letters, en daar staat de letter hé’ als oorsprong van de geest, van de ruach (רוּחַ) , en als de stem die de stilte bewaart: een spirituele, geestelijke letter. Alle essenties, alle wezenheden komen daaruit voort naar hun aard, want die hé’ is de volheid, de innerlijke bron, de stille stem.

De hé’ is de Goddelijke adem, het Geheimenis van de Naam, de Essentie, het Wezen van alle wezens, de Adem des levens, en de hé’ brengt ons in de Eenheid, want in de Naam JHWH is tweemaal de letter hé’ aanwezig: de hé’ boven en de hé’ beneden, en de hé’ boven is de Binah, het Inzicht; de hé’ be-neden is de Shekhinah, de Aanwezigheid die meegaat door alle ballingschappen heen.

Zo mocht ook Elia dat ervaren op de berg: de stem die van buiten niet gehoord wordt, dat is het besloten inzicht, de Binah (בִּינָה) . Het is de moeder die haar kinderen koestert, zoals het beeld van de vogel die haar kuikens behoedt en bewaart: de verborgen wereld en al die essenties die verborgen en verhuld zijn. Dat is de letter hé’.

Een taalkundige notitie: de stille hé’
Hierbij hoort ook iets heel bijzonders: in het hebreeuws eindigen veel woorden op een hé’, terwijl ook de tav en de shin op vergelijkbare wijze functioneren. Deze hé’ moet, ook al spreek je hem niet uit, wel geschreven worden. Ook als je het woord Torah (תּוֹרָה)  schrijft, komt er een hé’ aan het eind, ook al spreek je die niet uit: je schrijft hem wel. Dat is te vergelijken met het Engels: in het woord knock wordt de k aan het begin niet uitgesproken, maar wel geschreven. Geen enkele Engelssprekende zou op het idee komen om het woord dan maar zonder k te schrijven, of om know zonder de stille k te schrijven. Een letter die je niet uitspreekt, behoor je toch schrijven; die hoort er helemaal bij. Zo is het ook met de Torah: de hé’ is essentieel en kan niet zomaar worden weggelaten met de gedachte dat wat je niet zegt, je ook niet hoeft te schrijven; dat zou een heel oppervlakkige manier van denken zijn, zonder dat men de diepte en de geheimenissen van elke letter beseft.

Genesis 2 vers 4: de kleine hé’
Van hieruit gaan we  naar een vers in het begin van Genesis, hoofdstuk 2, waar het gaat over de schepping. Genesis 2 vers 4 heeft een opschrift boven wat daarna komt, zoals er in Genesis vaker zulke opschriften staan: deze zijn de toledot (תּוֹלְדוֹת) , de voortbrengingen, de verwekkingen van de hemelen  en de aarde. Toledot is op zichzelf al een prachtig thema. Het woord staat hier met twee keer een vav, dus helemaal compleet geschreven, met een vav achter de tav en ook een vav achter de dalet: toledot, zo volledig gespeld als het alleen hier en aan het einde van het boek Ruth voorkomt. Dat is dus het begin en het einde, in dezelfde volledige spelling. Vervolgens staat er: be-hibbare’am (בְּהִבָּרְאָם) , in hun geschapen worden, wat vertalingen doorgaans weergeven met: toen zij geschapen werden. Maar de oude masoretische tekst doet hier iets heel bijzonders met dit woord be-hibbare’am: zij schrijven de hé’ in dit woord speciaal klein, een kleine hé’. En dan is de vraag: waarom is die hé’ daar klein geschreven, wat is er met die hé’ aan de hand?

Je kunt het woord namelijk ook lezen als: be-hé’ bare’am (בְּה בָּרְאָם) : door een hé’ heeft Hij hen geschapen. Dus, zo vragen de middeleeuwse Joodse wijzen zich af, hoe heeft God de hemelen en de aarde geschapen? Door een hé’ Dat was alles.

Tien woorden, één woord of één letter
Hoe zit dat nu precies? Sommigen zeggen: God heeft de hemel en de aarde geschapen door tien woorden. Ook Mozes kreeg tien woorden bij de Sinaï, en in het scheppingsverhaal in Genesis 1 staat tien keer:  en God sprak, al zeggen sommigen dat het er maar negen keer letterlijk staat. Maar dan telt beree’shit (בְּרֵאשִׁית) , in den beginne, ook mee als een woord, zodat het er toch tien worden: tien scheppingswoorden bij de schepping, tien openbaringswoorden bij de Har Sinai, elke keer tien woorden.

Er zijn ook middeleeuwse Joodse wijzen die zeggen dat God de hemelen en de aarde geschapen heeft door één enkel woord, want in Psalm 33 staat dat Hij alles geschapen heeft door Zijn woord, in het enkelvoud: door het woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door de ruach van Zijn mond al hun heir (vers 6). Dus, zeggen die oude Joodse wijzen, één woord: Hij schiep bara’ (בָּרָא)  door Zijn woord.

Maar dan komt Rabbi Eliëzer, ook een middeleeuwse wijze, en die zegt: dit niet, en dat niet. Niet tien woorden, ook niet één woord, maar door één letter werden de hemelen geschapen, de wereld: alleen door die letter hé’.  Be-hé’ baram, door de hé’ schiep Hij, alleen door een letter. Rabbi Eliëzer zegt: de Heilige, gezegend zij Hij, nam één letter uit Zijn Naam, JHWH (יהוה) , één letter uit deze  Naam, en met die letter werd alles geschapen. Hierbij wordt nog opgemerkt dat alles ook begonnen is met de alef (אָלֶף) , de eerste letter, die inderdaad de basis is. Maar dat vult elkaar juist weer aan: de Joodse wijzen zeggen nooit dat de één gelijk heeft en de ander niet, maar blijven met elkaar in gesprek. Charles Mopsik heeft daarover een mooie studie geschreven: al die conflicten tussen rabbijnen leggen zij uiteindelijk bij, ze komen altijd tot een harmonie. Ze zeggen nooit jij eruit of ik eruit, maar altijd: samen komen we er wel uit. Zo vult het ene het andere weer aan.

Exodus 15 vers 11: de ontbrekende hé’ bij de goden
Wat is dan de betekenis van het vers in Exodus waar Mozes bij de zee gaat zingen? Hij zingt: wie is als Gij onder de goden, o HEERE,  dat Gij in staat zijt de wereld te scheppen? Er staat dan kamokhah  ba’elim (כָּמֹכָה בָּאֵלִם) , met een hé’ aan het einde van kamokhah. Die hé’ is eigenlijk overbodig, want je zou in het Hebreeuws ook kamokha (כָּמֹךְ)  kunnen zeggen, zonder die extra hé’ aan het eind, met alleen een kaph. Maar er staat een extra hé’ aan het eind. Rabbi Eliëzer zegt dat dit impliceert dat de wereld door die ene letter geschapen is: Hij sprak, en het was er. Eigenlijk hoefde Hij niet eens te spreken om in deze wereld geopenbaard te worden, zegt Rabbi Eliëzer, want God heeft geschapen door de hé’, en vervolgens wordt het openbaar gemaakt door Zijn woord: elke schepping werd geopenbaard en voortgebracht met daden, krachten en werkingen door het woord. Het was dus eigenlijk die ene letter, want in kamokhah is daar  die hé’ aan het eind die strikt genomen niet nodig is, maar die er wel staat met een bedoeling; want geen letter in de Torah is toevallig.

Vervolgens staat er in Exodus 15 vers 11: mi kamokhah ba’elim, wie is als Gij onder de goden? En wat is ‘elim (אֵלִם)  goden? Aan dat woord ontbreekt iets: ‘elim, goden, missen de hé’. Zet je die hé’ erin, dan wordt het ‘Elohim (אֱלֹהִים) . Die goden hebben dus een manco: zij missen de hé’, en daarom kunnen zij ook niet scheppen, kunnen zij niets maken. Zij zijn wel ‘elim, maar zonder de hé’: zij missen het geheimenis van de naam JHWH, en staan daar met twee linkerhanden, roepend en schreeuwend om aandacht, terwijl Adonai, de Eeuwige, zegt: je mist de hé’, en daarom kun je het niet, daarom ben je machteloos.

Zo heeft Hij dus door de hé’ alle dingen tot aanzijn gebracht, als het ware gefluisterd met die zachte, eigenlijk onhoorbare stem waardoor alles tot leven, tot aanzijn is gebracht. De letter hé’ is de adem die komt vanuit de adem, de stem die van buiten niet gehoord wordt, het geheimenis van God zelf. In dit verband wordt ook opgemerkt dat het woord god in de Bijbel vaak met een kleine letter voorkomt, en dat als je de betekenis van dat woord naar het Nederlands toe opzoekt, je vaak ‘elohim tegenkomt, terwijl daar eigenlijk ‘elim zou moeten staan: ‘elohim is dan wel een gangbare aanduiding geworden voor de goden, maar in feite hebben zij niet wat die naam suggereert. Zij pretenderen het wel te hebben, maar precies dat ontbreekt hun. Jeremia zegt van Hem: hu’ ‘Elohim chajjiem (הוּא אֱלֹהִים חַיִּים) , Hij is de levende God, en in het Aramees staat er zelfs: ‘elaha di shemajja ve-‘ar’a la’ ‘avadu (אֱלָהָא דִּי שְׁמַיָּא וְאַרְעָא לָא עֲבַדוּ) , de goden die de hemel en de aarde niet gemaakt hebben, die zullen vergaan. Daar staan alle letters van de naam wel: een hé’ en zelfs een jod en een hé’. Toch geldt ook daar dat men de naam wel heeft, maar de werkelijkheid niet.

Ook wanneer God tegen Mozes zegt, omdat Mozes vindt dat hij zo slecht kan spreken: Ik zal je tot een God voor Farao maken, en Aäron zal je profeet zijn, staat daar in het oorspronkelijke Hebreeuws eveneens ‘Elohim. Eigenlijk kun je zeggen dat alle goden met een kleine letter, of het nu met een grote of kleine G geschreven wordt, in vrijwel de hele Bijbel worden aangeduid met ‘elohim. Alleen geldt de bijzondere uitleg met de ontbrekende hé’ in ‘elim specifiek voor Exodus 15 vers 11: dat is dus een unieke tekst die apart genomen moet worden. Andere teksten kennen hun eigen verhaal.

Rabbi Jitschak zegt, in naam van Rabbi Zeira, dat er nog een prachtig beeld bij hoort: de letter he bestaat uit drie lijnen, een horizontale, een verticale, en dan nog een halve lijn daar links. Dat zijn, zo wordt gezegd, drie lichtstralen over de afgrond, en zo wordt de afgrond door de Eeuwige onderworpen: zo gaat de roeach over het aangezicht van de wateren. De wateren zagen U, o God, de wateren zagen U, zij sidderden, en de afgrond beefde. Zo wordt in deze oude Joodse traditie gezegd dat de he als het ware het dak wordt over de afgrond.

Ook al kan ‘elohim dus in andere teksten heel gewoon voor de goden van de volken gebruikt worden, Exodus 15 vers 11 wordt in deze uitleg als een unieke tekst apart genomen, een vers dat een geheel eigen plaats inneemt: eigenlijk zoals de vraag bij Pesach, waarom is deze nacht anders dan alle andere nachten, zo geldt hier: waarom is deze tekst anders dan alle andere teksten? Kamokhah  met een hé’, en ‘elim zonder hé’: dat staat verder nergens zo.

Derhalve: deze tekst, Exodus 15 vers 11 laten we staan, als een uniek gegeven, dit vers vormt het hart van het lied, dat Mosheh zingt, en dat in de eindtijd gezongen zal worden, want er staat in vers 1: toen, maar de oude Joodse wijzen vertalen: Dan, dan zingt Mosheh dit lied en in Openbaring15 zingen ze het lied van Mosheh en het lied van het Lam.

Dan wordt alle goden het zwijgen opgelegd door die ene letter: de Hé’ – de Ademtocht van Adonai en van het Lam, de letter van Vader, Zoon en Geest.